kind boos

Help….de peuterpubertijd is begonnen! (7 tips)

De peutertijd begint als je kind 1,5 à 2 is en eindigt als je kind ongeveer 4 is. Peuters die in de peuterpuberteit verkeren, kun je herkennen aan het volgende gedrag:

    • Driftbuien & tegenstribbelen
    • Grenzen opzoeken, verkennen & overschrijden
    • Eigen identiteit zoeken / eigen willetje tonen

Hoewel de peuterpuberteit in principe positief is, omdat het proces van zelfstandig worden immers noodzakelijk is, kan je kind soms als negatief, drammerig of zelfs onhandelbaar overkomen. Daarom hierbij 7 tips om de peuterpuberteit vlot en soepel te doorlopen.

1. Onbegrip voorkomen
Peuters verwachten dat hun ouders exact begrijpen wat er in hen omgaat en wat ze duidelijk proberen te maken. Peuters weten voor zichzelf namelijk direct wat ze willen, maar ze gaan er aan voorbij dat hun ouders geen gedachten kunnen lezen. Pikt een ouder de gedachten of behoeften van de peuter niet snel genoeg op, dan voelt een peuter zich onbegrepen en genegeerd.

2. Erkennen & Anticiperen
Het is dan ook belangrijk dat je als ouder zijnde goed anticipeert. Doe desnoods alsof je begrijpt wat een peuter bedoelt. Laat bovendien zo min mogelijk ruimte voor interpretatie en/of misvattingen. Vraag niet ‘Wil je deze trui aan?’ maar ‘Welke trui wil je aan?’. Vraag niet ‘Ga je meer naar buiten?’ maar zeg ‘Kom, we gaan naar buiten’. Stel nooit gesloten (ja-nee) vragen. In de peuterpuberteit wordt namelijk alles met ‘nee’ beantwoord. Door open vragen te stellen geef je ‘nee’ geen schijn van kans.

3. Verstaanbaarheid optimaliseren
Naarmate een peuter beter leert praten, kan hij/zij zichzelf beter verstaanbaar maken en zijn/haar wensen, behoeften en gevoelens duidelijker overbrengen. De verschijnselen van de peuterpuberteit (driftbuien, tegenstribbelen) verdwijnen dan ook grotendeels zodra een peuter efficiënt met zijn/haar ouders kan communiceren. Het is daarom van belang om het spraakvermogen en de woordenschat van je kind continu te trainen.

4. Duidelijke regels
Peuters hebben duidelijke en concrete regels, richtlijnen en grenzen nodig, vooral in de peuterpuberteit. Immers: als een peuter niet eens merkt dat sommige dingen niet geaccepteerd worden of niet mogen, dan kan hij/zij het gedrag ook niet verbeteren. Als ouder zijnde dien je zowel positief gedrag te erkennen, te waarderen en te belonen alsook negatief gedrag te erkennen, te bekritiseren en te bestraffen. Bedenk wel dat  negatieve aandacht ook aandacht is, dus in sommige gevallen is negeren juist wel een goede reactie op negatief gedrag.

5. Positieve benadering
Disciplinaire maatregelen (straffen) hebben zelden nut. Het is beter om de nadruk te leggen op positief stimuleren. Prijs je kind wanneer het iets goed doet en corrigeer ongewenst gedrag op een positieve manier. Schoppen, slaan of spullen stukmaken gaat echter te ver, maak dat dan ook direct duidelijk. Wees consequent, nee is nee. Neem altijd een lichaamshouding en gezichtsuitdrukking aan die bij je boodschap passen. Het is voor een peuter zeer verwarrend als je glimlacht wanneer je hem/haar een standje geeft. Word overigens nooit kwaad of agressief en ga niet schreeuwen. Dat zal je kind angstig en nog onrustiger maken.

6. Zelfstandigheid stimuleren
Geef je kind tijdens de peuterpuberteit de ruimte om dingen zelf te proberen… Moedig zijn/haar pogingen aan, dat geeft een peuter zelfvertrouwen. Stel echter nooit te hoge eisen en prijs een peuter ook als een poging mislukt. Als je kind boos of driftig wordt, ga hem/haar dan niet extra voorzichtig behandelen; daarmee plaats je je peuter in een machtspositie (je kind zal zodoende leren hoe het kan manipuleren). Redeneren, onderhandelen of tegensputteren werkt dan ook averechts. Ouders blijven simpelweg altijd de baas.

7. Samen doen
Betrek je kind bij wat je doet. Hij of zij wil vanalles leren en vindt het ontzettend leuk om te zien waar jij je dag mee vult. Dit kunnen huishoudelijke taken zijn: de was uit de wasmachine halen en in de droger stoppen. Geef je kind een eigen poetsdoek als je aan het afstoffen bent of samen de tafel dekken. Laat je kind met je rouge-kwast spelen als je je aan het opmaken bent en doe net of je ook een beetje Labello of lippenstift bij je kind op doet. Bladeren opvegen en samen oprapen. Zo is er van alles te verzinnen. Betrek je kind gewoon bij de dagelijkse dingen die je doet. Je kind voelt zich nuttig en vermaakt zich. Jij stelt gewoon iedere keer de vraag: ‘Wil je mama (of papa) helpen?’

Bron: Salusi

Leuk of Interessant? Deel het!Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on Google+Pin on PinterestEmail this to someone